NIJMEGEN - Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (het college) mocht de standplaatsvergunningen intrekken van een ondernemer met een mobiele snackwagen en een oliebollenkraam. Dat oordeelt de rechtbank. Volgens de rechtbank mocht de gemeente de vergunningen intrekken, omdat de ondernemer de precariobelasting en leges voor het belastingjaar 2021 niet (tijdig) betaalde en de betalingsregelingen niet adequaat nakwam.

De ondernemer bedrijft een wagen voor de verkoop van patat en snacks en een wagen voor verkoop van oliebollen, gebakswaren en winterseizoen gebonden artikelen in Nijmegen. Het college van de gemeente Nijmegen gaf hiervoor standplaatsvergunningen af. Het college trok in juni 2022 de standplaatsvergunningen in, omdat de ondernemer de precariobelasting en leges voor het belastingjaar 2021 niet (tijdig) betaalde en de betalingsregelingen niet adequaat nakwam.

College houdt geen rekening met omstandigheden ondernemer

Volgens de ondernemer mocht het college de standplaatsvergunningen niet intrekken. Hij voerde daarbij aan dat het college niet voldoende rekening hield met de omstandigheden. Tussen maart 2020 en maart 2022 kreeg hij te maken met coronamaatregelen. Daarom deed de ondernemer een beroep op een financiële tegemoetkoming bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en wacht hij op een betaling van ruim 63 duizend euro. De betalingsproblemen kwamen verder door medische klachten en een fysieke mishandeling van de ondernemer, waardoor het bedrijf stil kwam te liggen wegens revalidatie.


Ondernemer komt verplichtingen niet na

Het college vindt dat de ondernemer niet (tijdig) de precariobelasting en leges betaalde. Volgens het college betaalde de ondernemer niet alleen de precariobelasting en leges niet tijdig, maar ook kwam hij de betalingsregelingen niet adequaat na. Met de intrekking wordt voorkomen dat de betaalachterstand groter wordt. Het college woog bij zijn beslissing mee dat de ondernemer sinds 2015 incidentele vergunningen van de gemeente kreeg. Daarbij traden vaak betalingsachterstanden op en werden betalingsregelingen niet tijdig nagekomen. De standplaatsvergunning is een schaarse vergunning en het college kan niet tegenover andere ondernemers verantwoorden dat een vergunninghouder met een betalingsachterstand een schaarse vergunning in gebruik heeft. Standplaatshouders ondervonden verder relatief weinig gevolgen van de coronamaatregelen, omdat zij hun activiteiten konden voortzetten.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat hij de standplaatsvergunningen heeft ingetrokken. Op grond van wet- en regelgeving kan het college een verleende standplaatsvergunning intrekken als de vergunninghouder niet of niet tijdig de precariobelasting voldoet. De ondernemer betaalde de precariobelasting en leges voor het belastingjaar 2021 niet (tijdig) en kwam de betalingsregelingen niet adequaat na. Het college stelde de ondernemer meerdere keren in de gelegenheid om met behulp van betalingsregelingen en een begeleidingstraject aan de openstaande precariobelasting te voldoen. De aangevoerde gronden van de ondernemer over de coronamaatregelen treffen geen doel. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat standplaatshouders relatief weinig gevolgen ondervonden van de coronamaatregelen en hun activiteiten konden voortzetten. De fysieke mishandeling en lichamelijke beperkingen zijn spijtig, maar dat doet niet af aan dat de ondernemer niet (tijdig) aan de precariobelasting dan wel aan de betalingsregelingen kon voldoen. Dat de ondernemer nog in afwachting is van een positief resultaat van het herzieningsverzoek voor een financiële vergoeding van de RVO maakt dit niet anders.

De rechtbank verklaart het beroep van de ondernemer tegen het intrekken van de standplaatsvergunningen ongegrond. Dit betekent dat het college de verleende vergunningen mocht intrekken.